Als je verhuist, ben je even iemand anders
Op de berg woont een meneertje dat zijn dagen doorbrengt in een leunstoel voor het raam. Huis, kozijn, stoel, man erin: alles is bruin. Als je goed kijkt, zie je dat hij zwaait. Dan komt in het sepia een schaduw omhoog, en denk je, god, hij leeft nog. Vandaag stond hij opeens zijn gazonnetje te knippen. Ook dat was bruin verkleurd. ‘Droog, hè?’ zei ik. Hij knikte naar mijn jurk. ‘Valt niet mee toch, helemaal alleen,’ zei hij. ‘Ik weet, u woont in het huis van Nacken.’
Nacken was de vroegere eigenaar van mijn huis. Na hem kwamen nog anderen, maar Nacken woonde er minstens een eeuw, dus dan is het van hem. Zeker omdat ik Hollander ben, zoals al mijn naaste buren: die wonen niet in hun eigen huizen, maar in die van Nacken, Vanderheijden, Poeth. Voorgoed.
‘En dit is allemaal van u,’ zei ik onnozel, ‘da’s toch mooi.’ Op zijn gezicht – met zijn tuintje hopeloos verschroeid – ging verbijstering over in woede. ‘Mooi? Vijfentachtig jaar heb ik hier gewerkt, aan het huis, op het land, we beulden ons af maar verdienden geen cent, wat koop je dan voor dat uitzicht? Klerehuis. Ouwe meuk, dat is het!’
Waarom is hij er dan zo’n negentig jaar blijven wonen? Waarom bleef hij hangen in een huis dat hem zijn rug heeft gekost? Waarschijnlijk is dat achterstuk er later door zijn vader voor hem bijgebouwd. Verhuizen deed je niet, ook niet als je uit huis ging. Je zette iets neer op een stuk grond, en elke keer als je een koe verkocht, bouwde je er iets aan vast. Als je de tijd was gegund, lukte het om het hele vierkant rond een binnenplaats af te bouwen, zodat je je leven kon afsluiten met een poort.
Ik verhuis heel vaak. Die tic heb ik van mijn vader meegekregen. Dan waren de dozen nog niet uitgepakt of zat hij alweer in de Woonbode te zoeken. Elke keer als je verhuist, kun je opnieuw beginnen. Met die dozen, maar ook met verkennen, kennismaken. Even lijkt het alsof je iets anders bent geworden. Want dat huis, dat ben jij.
Wat dat verlangen betekent, zie je in de vele woonprogramma’s op tv. Vooral de Engelse zijn indrukwekkend. An Englishman’s home is his castle, maar alleen zolang hij eraan bouwt. Met zijn pensioen voor de deur bouwt hij een burcht, een laatste redding van een middelmatig leven. Hoog en spectaculair zal het worden, watertorens en kerken! En dan is het klaar. Dan zie je dat uitgebluste stel in zijn Grand Design op de bank zitten en denk je: dit wordt nooit wat.
Nog erger: ‘Helse huizen’. Dat programma toont hoe vreselijk mis het kan gaan. Smeulende oudedagdromen, verzakkende vakantievilla’s, snelwegen door rozenprieeltjes. Dan zie je dat uitgebluste stel in zijn hel op de bank zitten en denk je: geen wonder.
Misschien moet ik me toch neerleggen bij dit huis. Over de heerlijke leemmuren strijken en ermee instemmen dat ik dit ben, voortaan. Maar oh wee als een bijdehand wicht me komt vertellen hoe mooi ik woon – ik zal naar buiten komen in een stofwolk, haar wegjagen met knarsende stem en kromgetrokken klauw.
Gepubliceerd op 11-06-2011 in Vrij Nederland